zondag 8 oktober 2017

In transitie

Het is tijd voor verandering. Na een zwalkende loopstart dit jaar wil ik strenger worden in het trainen. Dat doe ik door wedstrijden te plannen. Over drie weken een nabije halve, dan de 7 heuvels, wellicht 6 bruggen 5 dagen na Sinterklaas, begin 2018 de strandwedstrijd, de 30 kilometer duinen vier weken daarna en als sluitstuk de hele van Rotjeknor begin april. Zo, dat is alvast in hoog tempo genoteerd. Nu nog in vorm raken en tijdig inschrijven.

Regelmaat is het sleutelbegrip. Plannen en doen. Geregeld lopen, in de bekende afwisselende formats. Momenteel kan ik overdag er nog weleens erop uit, maar wie weet tot wanneer. Om te voorkomen dat mijn gezicht in huis alleen nog op ‘wanted’ posters bekend raakt, plan ik mijn schema aan de randen van de nacht. Het is heerlijk om op zondagochtend vroeg door veld en dorp te banjeren, zonder verkeer, begeleid door hanenkraai en klokgelui. De opgaande zon trekt mijn schaduw uit over de akkers, hazen schieten voor me weg.


Belofte maakt schuld. Ook als er uur na uur regen op de voorspelling staat, zet ik mijn wekker op duistervroeg. ’s Nachts lig ik te soezen op een oor, met het andere hoor ik de regen vlaag na vlaag tegen de ramen kletteren. Eindelijk gaat de wekker, veel te vroeg. Als ik mijn regenkleding op de tast uit mijn kast trek, wordt het droog. Dank, barmhartige weergoden!

De regelmaat zit ook in matigheid. Ik moet minder vaak de dag afsluiten met geknabbel en gelurk. Gewoon een spaatje graag, dat is ook gezellig. Eens zien of er nog wat kilootjes af te snoepen zijn.

De verandering doet zich ook voor op werkgebied. Een plotseling herinvulling van mijn functielaag kost bijna iedereen van mijn leeftijd en ouder z’n baan. De geëtaleerde mensgerichtheid blijkt niet intern beleden. Kostenreductie heeft even voorrang. Jawel, een kans. Herijking. Nieuwe mogelijkheden. Afgestofte idealen. Opborrelende ambities en vergezichten.

En natuurlijk daarnaast mijn loopambitie en het genieten van uitzichten bij het trainen. Weer in vorm komen. Tijd om in te schrijven.

maandag 25 september 2017

Slowowowowww

Trainen voor hogere snelheid heeft traagheidangst als valkuil. Mijn hoofd wil alsmaar sneller. Elke ronde strakker, elke dag progressie. En dat is flauwekul. Onderzoek heeft vaak genoeg bewezen dat afwisseling de beste spieren kweekt; monotonie leidt tot suboptimale verstarring. Lange stukken, hoge snelheid, heuveltjes, korte sprintjes, slow motion, anything goes. Dan kan een oefenloopje ook nooit tegenvallen.

En toch wil het niet lukken. Als ik vertrek voor een drentelrondje, wordt het toch weer een race tegen de klok. Ongewild, ongewenst. Ik snap wel hoe het moet, maar mijn benen willen niet luisteren. Foei! Ik heb het gevoel dat ik al zo langzaam ga, dat een nog lagere versnelling me laat wandelen. Eenhandige beltieners halen me in, 65-plussers, sommigen zelfs zonder accu. En toch blijft mijn tempo middelmatig, in plaats van goed laag.

Om mijn geloof in de heilzame werking van de lagere snelheid te sterken, wil ik twee uur gaan lopen op 80% van mijn normale tempo. Een beetje kloosterorde zou dat eens moeten proberen in plaats van zelfkastijding.


Ik moet mezelf dwingen. Inhouden. Terugdeinzen. Schuifelen. Verstillen. Als ik om me heen kijk, zie ik dat het herfst is. Paddenstoelen vieren hun lente. Binnen honderd meter zie ik vijf-zes verschillende soorten. Plat, bol, kegelvormig, gespikkeld, bruin, roestig, wit. Een leger zwamkabouters tussen de grassprieten. Een ontplofte champignonachtige ter grootte van een voetbal. Bosgeur vernevelt in de lucht. De zon kijkt op afstand toe.


Dag paddenstoeltjes, dag spin, dag mooie blaadjes. Dit heeft niets met hardlopen te maken. Het voelt als een boswandeling. Mooi. Nog niet traag genoeg, maar er is regressie. Missie geslaagd.

zondag 3 september 2017

Tilburg Ten Miles 2017 – 50+

Op twee derde van het jaar heb ik pas twee wedstrijden gelopen. Na de halve marathon en de tien kilometer is dan nu de derde categorie aan bod: 16 Engelse mijlen. Waar doe ik het voor? Voor de gladiolen! En voor de projectie van een atletisch zelfbeeld.

Maar daar moet je wel wat voor doen. Echt trainen. Vaak naar buiten. Ademhalingstechniek. Krachttraining. Innerlijke rust. Schijf van vijf. Op tijd naar bed. Er is dus ruimte voor verbetering.

Dit wordt mijn 51e wedstrijd, de 12e tien mijl, de achtste in Tilburg. Statistisch wordt de kans dat ik een nieuwe beste tijd loop steeds kleiner. Lichamelijk idem dito. Welk excuus heb ik vandaag? Te hard gewerkt, te onregelmatig voorbereid, zwabberbenen en een overdosis IPA in plaats van EPO. Dat doet niets af aan het feit dat statistiek en fysiek zich door het stellen van de juiste prioriteiten prima de les laten lezen. Als ik niet van start ga voor een PR dan eindig ik gegarandeerd als haas voor de bezemwagen.


Is het de leeftijd? Aan gene zijde van de 50 gaat het hard; medeloper Jan verliest elk jaar een halve minuut. Dat hij, ruim ouder, me wel tien minuten voorblijft zegt iets over de kracht van vroeg beginnen. Anderzijds, als late starter kon ik me nog ieder jaar verbeteren; alleen dit jaar blijf ik telkens hangen op de tweede plek. Ik wil geen tweede plek. Buh.

Het zonnetje schijnt warm. De start gaat goed, niet te druk. Ik lig op tempo voor een mooie tijd. De supporters zijn enthousiast. Maar de energie sluipt weg. In flagrante strijd met het SI-stelsel wordt elke kilometer langer. Het begroeten van de lokale supporters halverwege geeft even een kick en dan realiseer ik me dat ik met dit tempo weer op een tweede tijd ga eindigen. Nee! The story of my life.

De motivatie dooft en ik neem gas terug. Dan maar genieten van de omgeving. Als ik geen mijlpaal kan neerzetten met een beste tijd, dan maar een voor de slechtste tijd. Om mij heen slaan lopers aan het wandelen, her en der wordt de EHBO ingevlogen. Ik ga rustig door voor mijn Persoonlijke Blamage. Het wordt zes minuten langzamer dan m’n snelste tijd. Yes! Volgens mijn logboek ben ik ooit een keer nog later over de lijn gekomen. Weer tweederangs gepresteerd…


Misschien ben ik te kritisch op mezelf. Gezin, werk, sport, hobby. Allemaal essentieel voor mijn welbevinden, maar onvoldoende mogelijkheid om alles zo veel aandacht te geven dat de uitkomsten en gevoelens positief zijn. Ik wil het allemaal op de 1e plek.

Waarschijnlijk ben ik te egocentrisch; wie kan wel die rust en balans vinden? Alleen niet iedereen klaagt erover. Ik ga de komende tijd eens stevig nadenken wat te doen. Keuzes maken. 

dinsdag 15 augustus 2017

Paradepaadje

Buikschuivende ratten, dat beschrijft de vleugelluie duivenpopulatie in het Amsterdamse beter. Opvliegen doen de mormels niet, niet als ik aan kom galopperen in mijn elegante manly city style. Ze zijn te sluw, ze weten dat menslief niet tegen ze aanvoetbalt en dus blijven ze zich als een zwerm obese verenzitzakken schuin voor je uit wurmen. Je kan ze net geen opdoffer geven en je kan er beter niet op landen. Dat overleven ze waarschijnlijk niet, je enkels.

Ik ben vandaag in onze kleine metropool en het belieft me nog een stukje te lopen voor het avondeten. Vanuit de gruwzame industriekant naar het dampende centrum en weer terug langs de Amstel. Nergens anders kan je zo snel van buitenwijk naar werelderfgoedcentrum als hier. Ring, Rembrandttoren, Amstelhotel, Carré, Hermitage, Stopera. Sneller dan een toeristenbus. Als er niet te veel voor je voeten loopt.

Er zijn hier twee soorten toeristen. De beleefde types die wijken voor de zoutige mist der snelheid, bonjour stamelen en me nastarend toevoegen aan hun bucket list. En de genieters van de vrije hennephandel die overdampt door emoties geen enkele binding met de bewegende omgeving meer hebben. Mijn neus is cruciaal voor navigatie; kan ik rechtdoor of laveer ik beter rond een aankomende botsing van menselijk vlees?

Dan zijn er drie soorten Amsterdammers. De wandelaars die het niet boeit wat de wereld beweegt; daar kan ik omheen en tussendoor. De gemotoriseerden in hun bel van blik of persoonlijkheid; die blijven meestal op het asfalt. En de fietsers. In elke stad steden sturen ze hun rijwiel in een al dan niet lauwe bocht om me heen, maar als ik hier linksdravend op een tweewieler afkom, dan wijkt er geen. Ik bespeur geen boosheid, geen mindemptyness, alleen een blik van jij-loopt-waar-ik-zo-fiets-en-wat ga-jij-daaraan-doen. Dan toch maar de berm in. Ik heb graag gelijk, maar ik haal het liever niet postuum.

De terugweg is eenvoudiger en geeft een mooi zonbeschenen uitzicht op de grote gebouwen aan de andere zijde. Ik kom tot mijn verrassing langs het Paradeterrein (maar alle voorstellingen blijken later uitverkocht), daarna is het nog een paar kilometer worstelen door het saaiste onderdeel van de Amsterdamse marathon. Een goede oefening dan maar.

De steile bruggen, de verkeersmix van vogels tot trams, de trieste industrieterreinen. Hardlopen in Amsterdam is een machtige inspanning voor lichaam en geest.

dinsdag 1 augustus 2017

De wildernis in

De stadsjungle kent vele gevaren, maar we zijn ze gewoon. Auto van links, skater van rechts, scooter van waar-dan-ook; je bent zo het verdroten haasje. Elke dag op de weg kan je laatste zijn, maar… wij vrezen het vrije veld, met z’n zoemende bewoners en netelige nabijheid van groeisels. Ook daar kan op een dag de nacht niet komen; toch is in Europa het risico om door een bronstige neushoorn bestormd te worden pertinent kleiner dan de oorzaak te blijken van een kijkersfile, en al helemaal als je je feromonale zones af en toe een wasbeurt gunt.

Ik doe niet onder voor ons. In een woud, ver hiervandaan, waar geen gele paaltjes de vooruitgang van beschaving markeren, beweeg ook ik me behoedzamer dan in het lokale aanplantje. Wat loert er in het struikgewas? Wat ritselt langs de paden? Wat glibbert omhoog tegen mijn loperskuiten?

Maar het is vakantie. Het interklussum. Even geen rapportages bakken of Zweedse meubels schroeven. Nou ja, nog even een nieuwe loeizware wasbak de trap op sjouwen omdat de bestaande aan scheurbuik lijdt, maar dan kan de koffer dicht voor de reis naar het zuiden. Ver weg genoeg om helemaal buitenland te voelen, genoeglijk dichtbij voor een ochtendrit. De Ardennen, bij het pittoreske Vielsalm.

We doen de Grotten, de Watervallen, de Wildwaterglijbaan, de Ourthe en de Bowling. Het is groots. Ik wil ook een looprondje. Alhoewel de omgeving een fietsersparadijs is, kent de regio amper faciliteiten voor een ongestoorde training. Er zijn vrijwel geen vrij liggende fietspaden en op de heuvelwegen zijn de snelheden hoog en de afgronden diep. Voor een hardloper is dat helemaal geen feest. Op de kaart vind ik wel een fietsroute die naar een buurdorpje voert. Als ik daar nou heen ga over kleine weggetjes en dan terug over dat pad, kan ik nog een rustige afstand lopen. Hoe wild kan het zijn?


Vast heel rustig, als de je weg goed onthoudt. Ik ben dus na drie bochten en twee splitsingen al van ’t padje. Dat valt pas op als de vijf volgende bochten en splitsingen niet meer rijmen met het plaatje in je hoofd. De weg wordt een bospad, daarna een paadje. Het bos wordt woud en wild. Het spoor blubbert. Ik ook. Wanneer ik hier een been breek, wie gaat me dan vinden? En in welk seizoen?


Dan zie ik na vijf kilometer de bomen wijken, licht, huizen, een weg, een dorp. Het dorp! De weg terug is een makkie.


Het valt best mee met de gevaren van de wilde natuur, vind ik, eenmaal comfortabel terug in Nederland. Met de vervangen wasbak in m’n armen de trap af hijgend mis ik de laatste tree, waarop ik met 40 kilo steen tegen de vlakte ga. Ik wil graag weer werken. Gewoon elke dag in het verkeer. Dat voelt pas veilig.