Buikschuivende ratten, dat beschrijft de vleugelluie duivenpopulatie in het Amsterdamse beter. Opvliegen doen de mormels niet, niet als ik aan kom galopperen in mijn elegante manly city style. Ze zijn te sluw, ze weten dat menslief niet tegen ze aanvoetbalt en dus blijven ze zich als een zwerm obese verenzitzakken schuin voor je uit wurmen. Je kan ze net geen opdoffer geven en je kan er beter niet op landen. Dat overleven ze waarschijnlijk niet, je enkels.
Ik ben vandaag in onze kleine metropool en het belieft me nog een stukje te lopen voor het avondeten. Vanuit de gruwzame industriekant naar het dampende centrum en weer terug langs de Amstel. Nergens anders kan je zo snel van buitenwijk naar werelderfgoedcentrum als hier. Ring, Rembrandttoren, Amstelhotel, Carré, Hermitage, Stopera. Sneller dan een toeristenbus. Als er niet te veel voor je voeten loopt.
Er zijn hier twee soorten toeristen. De beleefde types die wijken voor de zoutige mist der snelheid, bonjour stamelen en me nastarend toevoegen aan hun bucket list. En de genieters van de vrije hennephandel die overdampt door emoties geen enkele binding met de bewegende omgeving meer hebben. Mijn neus is cruciaal voor navigatie; kan ik rechtdoor of laveer ik beter rond een aankomende botsing van menselijk vlees?
Dan zijn er drie soorten Amsterdammers. De wandelaars die het niet boeit wat de wereld beweegt; daar kan ik omheen en tussendoor. De gemotoriseerden in hun bel van blik of persoonlijkheid; die blijven meestal op het asfalt. En de fietsers. In elke stad steden sturen ze hun rijwiel in een al dan niet lauwe bocht om me heen, maar als ik hier linksdravend op een tweewieler afkom, dan wijkt er geen. Ik bespeur geen boosheid, geen mindemptyness, alleen een blik van jij-loopt-waar-ik-zo-fiets-en-wat ga-jij-daaraan-doen. Dan toch maar de berm in. Ik heb graag gelijk, maar ik haal het liever niet postuum.
De terugweg is eenvoudiger en geeft een mooi zonbeschenen uitzicht op de grote gebouwen aan de andere zijde. Ik kom tot mijn verrassing langs het Paradeterrein (maar alle voorstellingen blijken later uitverkocht), daarna is het nog een paar kilometer worstelen door het saaiste onderdeel van de Amsterdamse marathon. Een goede oefening dan maar.
De steile bruggen, de verkeersmix van vogels tot trams, de trieste industrieterreinen. Hardlopen in Amsterdam is een machtige inspanning voor lichaam en geest.
Hier vind je gedachten die in m’n hoofd rondtollen tijdens het hollen. Voorbereiding, wedstrijden, wilde ideeën, tamme prestaties. Op en buiten de gebaande paden. Wie volgt?
Te lichtvoetig of hoogdravend? Twitter @HoofdOpHol of mail (hoofdletters door tekens vervangen) hoofdopholAPENSTAARTxs4allPUNTnl
dinsdag 15 augustus 2017
dinsdag 1 augustus 2017
De wildernis in
De stadsjungle kent vele gevaren, maar we zijn ze gewoon. Auto van links, skater van rechts, scooter van waar-dan-ook; je bent zo het verdroten haasje. Elke dag op de weg kan je laatste zijn, maar… wij vrezen het vrije veld, met z’n zoemende bewoners en netelige nabijheid van groeisels. Ook daar kan op een dag de nacht niet komen; toch is in Europa het risico om door een bronstige neushoorn bestormd te worden pertinent kleiner dan de oorzaak te blijken van een kijkersfile, en al helemaal als je je feromonale zones af en toe een wasbeurt gunt.
Ik doe niet onder voor ons. In een woud, ver hiervandaan, waar geen gele paaltjes de vooruitgang van beschaving markeren, beweeg ook ik me behoedzamer dan in het lokale aanplantje. Wat loert er in het struikgewas? Wat ritselt langs de paden? Wat glibbert omhoog tegen mijn loperskuiten?
Maar het is vakantie. Het interklussum. Even geen rapportages bakken of Zweedse meubels schroeven. Nou ja, nog even een nieuwe loeizware wasbak de trap op sjouwen omdat de bestaande aan scheurbuik lijdt, maar dan kan de koffer dicht voor de reis naar het zuiden. Ver weg genoeg om helemaal buitenland te voelen, genoeglijk dichtbij voor een ochtendrit. De Ardennen, bij het pittoreske Vielsalm.
We doen de Grotten, de Watervallen, de Wildwaterglijbaan, de Ourthe en de Bowling. Het is groots. Ik wil ook een looprondje. Alhoewel de omgeving een fietsersparadijs is, kent de regio amper faciliteiten voor een ongestoorde training. Er zijn vrijwel geen vrij liggende fietspaden en op de heuvelwegen zijn de snelheden hoog en de afgronden diep. Voor een hardloper is dat helemaal geen feest. Op de kaart vind ik wel een fietsroute die naar een buurdorpje voert. Als ik daar nou heen ga over kleine weggetjes en dan terug over dat pad, kan ik nog een rustige afstand lopen. Hoe wild kan het zijn?
Vast heel rustig, als de je weg goed onthoudt. Ik ben dus na drie bochten en twee splitsingen al van ’t padje. Dat valt pas op als de vijf volgende bochten en splitsingen niet meer rijmen met het plaatje in je hoofd. De weg wordt een bospad, daarna een paadje. Het bos wordt woud en wild. Het spoor blubbert. Ik ook. Wanneer ik hier een been breek, wie gaat me dan vinden? En in welk seizoen?
Dan zie ik na vijf kilometer de bomen wijken, licht, huizen, een weg, een dorp. Het dorp! De weg terug is een makkie.
Het valt best mee met de gevaren van de wilde natuur, vind ik, eenmaal comfortabel terug in Nederland. Met de vervangen wasbak in m’n armen de trap af hijgend mis ik de laatste tree, waarop ik met 40 kilo steen tegen de vlakte ga. Ik wil graag weer werken. Gewoon elke dag in het verkeer. Dat voelt pas veilig.
Ik doe niet onder voor ons. In een woud, ver hiervandaan, waar geen gele paaltjes de vooruitgang van beschaving markeren, beweeg ook ik me behoedzamer dan in het lokale aanplantje. Wat loert er in het struikgewas? Wat ritselt langs de paden? Wat glibbert omhoog tegen mijn loperskuiten?
Maar het is vakantie. Het interklussum. Even geen rapportages bakken of Zweedse meubels schroeven. Nou ja, nog even een nieuwe loeizware wasbak de trap op sjouwen omdat de bestaande aan scheurbuik lijdt, maar dan kan de koffer dicht voor de reis naar het zuiden. Ver weg genoeg om helemaal buitenland te voelen, genoeglijk dichtbij voor een ochtendrit. De Ardennen, bij het pittoreske Vielsalm.
We doen de Grotten, de Watervallen, de Wildwaterglijbaan, de Ourthe en de Bowling. Het is groots. Ik wil ook een looprondje. Alhoewel de omgeving een fietsersparadijs is, kent de regio amper faciliteiten voor een ongestoorde training. Er zijn vrijwel geen vrij liggende fietspaden en op de heuvelwegen zijn de snelheden hoog en de afgronden diep. Voor een hardloper is dat helemaal geen feest. Op de kaart vind ik wel een fietsroute die naar een buurdorpje voert. Als ik daar nou heen ga over kleine weggetjes en dan terug over dat pad, kan ik nog een rustige afstand lopen. Hoe wild kan het zijn?
Vast heel rustig, als de je weg goed onthoudt. Ik ben dus na drie bochten en twee splitsingen al van ’t padje. Dat valt pas op als de vijf volgende bochten en splitsingen niet meer rijmen met het plaatje in je hoofd. De weg wordt een bospad, daarna een paadje. Het bos wordt woud en wild. Het spoor blubbert. Ik ook. Wanneer ik hier een been breek, wie gaat me dan vinden? En in welk seizoen?
Dan zie ik na vijf kilometer de bomen wijken, licht, huizen, een weg, een dorp. Het dorp! De weg terug is een makkie.
Het valt best mee met de gevaren van de wilde natuur, vind ik, eenmaal comfortabel terug in Nederland. Met de vervangen wasbak in m’n armen de trap af hijgend mis ik de laatste tree, waarop ik met 40 kilo steen tegen de vlakte ga. Ik wil graag weer werken. Gewoon elke dag in het verkeer. Dat voelt pas veilig.
zaterdag 8 juli 2017
Kermisloop Heerle 2017 – Vakantiegevoel
Zon en zomer. Geen Hollandse traditie, wel modern realisme. Voor een beetje hardlopen is dat prima, maar het wordt ondoenlijk om knalharde tijden neer te zetten als je niet rond de evenaar geboren bent. Dat is wel vervelend als je hecht aan toenemende versnelling terwijl je krachten gaandeweg afnemen en je massa hooguit gelijk blijft.
Maar goed, je moet toch wat. Meedoen is belangrijker dan winnen. En makkelijker. Na de soepele wedstrijd van twee weken terug wilde ik snel weer op het circuit. Het lijkt nu dat ik dat besluit iets te licht genomen heb gezien de drukkende warmte buiten en binnen.
Want de vakantie is nabij. De agenda raakt leger; de druk neemt toe. Er moeten nog dingetjes geklust worden, opdrachten afgerond, rust worden gemaakt voordat de inspannende ontspanningsweken aanbreken. Ik neem alvast wat extra vrije dagen om op te ruimen. Deze leegte vult zich als een verbroken vacuüm. Dagen duren korter en klusjes duren langer dan gedacht. Nachten versnipperen door de hitte, vroege ontwakers en zieke nachtbrakers. Nieuwe klusjes dienen zich spontaan aan. Emmers spuug weggooien. Een half badmeubel demonteren om de afvoer te ontstoppen. Kleding met chloorvlekken weggooien.
Na de week vooruitrusten ben ik uitgeput. De warmte verloomt m’n gedachten. Om zes uur ’s middags begint de wedstrijd. Ik vind het nog te vroeg. Kunnen de spieren vanmiddag even onafhankelijk aan de bak, graag? Het is maar tien kilometer. Drie rondjes langs de kerk en de kermis. Hup, de dorpsweg af, linksaf over de provinciale weg, het zanderige paadje in en dan met een aanloop weer richting start. Dan kan mijn hoofd nog even blijven liggen. Ik zie jullie zo weer. Succes!
Voordat we weggaan, blijkt een pluot (een paarssappige abrikozenpruim, inmiddels aangeduid als plutoniumkers) nogal verkeerd te vallen bij onze jongste, waarop een bloedrode projectielspugende fontein zich over het stoffen bankstel werpt. Het ziet eruit of iemand per ongeluk Hannibal Lector voor de theevisite heeft uitgenodigd. Onverwijld opgedweild, zo gebeurd, zo gedaan, en hupsakee naar de wedstrijd.
Het is inderdaad drukkend warm. Het meedoen is gelukt. Een beetje hardlopen ook. Net als de vorige wedstrijd een tweede tijd na m’n PR op de afstand. Makkelijk genoeg. Ik neem mijn sperziebonentrofee dankbaar in ontvangst. De knalharde tijden laten maar even op zich wachten. Het is tenslotte zowat vakantie.
Maar goed, je moet toch wat. Meedoen is belangrijker dan winnen. En makkelijker. Na de soepele wedstrijd van twee weken terug wilde ik snel weer op het circuit. Het lijkt nu dat ik dat besluit iets te licht genomen heb gezien de drukkende warmte buiten en binnen.
Want de vakantie is nabij. De agenda raakt leger; de druk neemt toe. Er moeten nog dingetjes geklust worden, opdrachten afgerond, rust worden gemaakt voordat de inspannende ontspanningsweken aanbreken. Ik neem alvast wat extra vrije dagen om op te ruimen. Deze leegte vult zich als een verbroken vacuüm. Dagen duren korter en klusjes duren langer dan gedacht. Nachten versnipperen door de hitte, vroege ontwakers en zieke nachtbrakers. Nieuwe klusjes dienen zich spontaan aan. Emmers spuug weggooien. Een half badmeubel demonteren om de afvoer te ontstoppen. Kleding met chloorvlekken weggooien.
Na de week vooruitrusten ben ik uitgeput. De warmte verloomt m’n gedachten. Om zes uur ’s middags begint de wedstrijd. Ik vind het nog te vroeg. Kunnen de spieren vanmiddag even onafhankelijk aan de bak, graag? Het is maar tien kilometer. Drie rondjes langs de kerk en de kermis. Hup, de dorpsweg af, linksaf over de provinciale weg, het zanderige paadje in en dan met een aanloop weer richting start. Dan kan mijn hoofd nog even blijven liggen. Ik zie jullie zo weer. Succes!
Het is inderdaad drukkend warm. Het meedoen is gelukt. Een beetje hardlopen ook. Net als de vorige wedstrijd een tweede tijd na m’n PR op de afstand. Makkelijk genoeg. Ik neem mijn sperziebonentrofee dankbaar in ontvangst. De knalharde tijden laten maar even op zich wachten. Het is tenslotte zowat vakantie.
zondag 25 juni 2017
Halve marathon Roosendaal 2017 – Snelle recreant
Ik pick mijn battles. Geen Amersfoortse marathon dit jaar, maar nu, een week later, de Roosendaalse Halve. De conditie slingerde tussen matig en onmatig, mijn gewicht kent meer inflatie dan het BNP en ik heb te vaak te weinig rust gemaakt om al trainende bij te tanken.Die Hele komt nog wel een keer. Met de dertig graden van vorige week had ik sowieso geen 42 kilometer hollend volbracht. De aankondiging destijds van eenzelfde temperatuur voor vandaag wordt gelukkig gelogenstraft door de voorspelbare afwijking van langetermijnvooruitzichten bij instabiele systemen. De kans dat het weer van morgen gelijk is aan vandaag moge gemiddeld de beste voorspelling opleveren; de kans dat de temperatuur na tien dagen ervan afwijkt is nog vele malen groter.
Mijn slagveld van keuze heeft een kleine 600 deelnemers. Ik ben er een van. Vier weken lang heb ik me braaf aan een trainingsschema gehouden dat me klaarstoomt voor een tijd van 1 uur 45 minuten. Nee, nee, dat is nog geen PR. Wel een doeltijd die in mijn beste vijf HM-etjes thuishoort. Ik ga voor het bewijs dat alles het nog doet. Je kan niet ieder jaar dat je ouder wordt je wedstrijdtijden blijven verbeteren. Ik doe dat toevallig wel, mijn afgelopen 8 looplentes. Maar dit jaar even niet.
Tijdens de voorbereiding heb ik het loopboek “Altijd verder” van leeftijdgenoot Dolf Jansen gelezen. Ik zie veel overeenkomsten tussen ons. Hij is als tiener begonnen met hardlopen, heeft een tanig postuur, loopt rondjes tegen de 20 km/h, kent een succesvolle cabaretcarrière en slaat geen dag het lopen over. Wat ik wel herken: de passie van het trainen op allerhande locaties, jezelf blijvend aanscherpen en het maximale uit elke wedstrijd willen halen. Ik heb toevallig de laatste weken regelmatig aan de Amstel gelopen, tussen Nes en zijn home turf Ouderkerk. Ergens treed ik dus in zijn voetsporen. Waarin ik hem voorbijstreef, is dat ik door mijn late aanvangsleeftijd en beperkte trainingsinzichten nog telkens sneller kan. Dat zal hem niet meer lukken. In real life streeft hij mij geblinddoekt, op kaplaarzen en met de armen op de rug gebonden nog voorbij, maar soit. In deze vergelijking kijk ik alleen naar de afgeleide van de prestaties.
Omdat ik op tijd met de bus kom, sta ik zomaar vooraan in het startvak van de Snelle Recreanten. Het weer werkt mee, met een verborgen zon en matige wind. Ik ben wel twee dingen vergeten: mijn gels en dat er langs de route geen sportdrank wordt verstrekt. Ik moet dus op kraanwater naar de finish. No EPO today.
Dankzij een dieper ingeslepen basisconditie dan ik vermoedde, houd ik een stevig tempo. Tegen het einde doemt een dwerg op met een hamer, maar die kan ik hebben. Ik omzeil hem door wat gas terug te nemen, om dan bij het zien van het finishdoek met Warp 5 vooruit te knallen. Hartslag 196 en bijna 20 kilometer per uur. Die laatste meters. Geen PR, wel mijn 2e beste tijd. En da’s goed genoeg voor nu.
maandag 10 april 2017
Hartslag
Op conditie blijven kost me al veel tijd, laat staan in betere conditie komen. Ik zou zo graag weer een wedstrijd lopen en als het even kan mijn PR’s verder blijven aanscherpen. Trainen als een malloot, in de karige kalenderruimte, is de botte bijl die ik daarvoor als voorkeursinstrument toepas. Het kan vast nog slimmer.
De literatuur over hartslagzones, tempozones en trainingsprofielen geeft me een overdaad aan modellen en getalletjes om mee aan de slag te gaan. Randvoorwaarde is overal een goede vastlegging van de twee basisparameters van de fysieke prestatie: snelheid (de uitkomst) en hartslag (de inspanning). Gps gebruik ik, maar de standaard borstbanden voor hartslagregistratie ervaar ik als een knellend keurslijf.
“Ken uzelve” orakelden de antieke Grieken. Altijd makkelijk om dat een ander voor te houden, maar begin er zelf eens mee. Wat kan ik weten, wat moet ik doen? Hopeloos. Ik blijf een mens van het type meten = weten, dus zonder verder mathematisch af te dwalen voel ik wat ik moet doen. Een fijnere hartslagmeter gebruiken. Een polsmodel dus.
De rage van fitbitbandjes en consorten heeft behalve een rariteitenkabinet van pakkenmannen met lila armbandjes wel opgeleverd dat nu voor relatief weinig geld een uitstekende hartslagmeting op de pols mogelijk is, met positiebepaling vanachter de wolken en synchronisatie naar een cloud. Mijn impulsaankoop van de Polar M200 levert me naast gps de actuele hartslag in een ruim display, dat ook tijdens het rennen nog goed leesbaar is. Opladen hoeft maar 1 keer per week en de locatie-updates zijn bovendien een stuk nauwkeuriger dan die van mijn standaard Runkeeper-app. Bluetooth verbinden blijkt daarentegen een gruwel, maar met de usb-kabel is het uploaden van de gegevens ook te doen.
Als belangrijke parameters moet ik nu mijn minimale en maximale hartslag bepalen. De laagste waarde vind ik door een trainingsregistratie te starten voordat ik ga slapen. Bij het ontwaken zie ik een MRI-achtige film van mijn nachtleven.
De hoogste waarde zoek ik op door een looptraining na warming-up te eindigen op de atletiekbaan en telkens sneller de 400 meter te nemen. Wanneer ik de laatste keer de finishlijn passeer, ben ik blauw van ademnood. Mooi. De hartslagwaarde blijkt te passen bij de leeftijdsgroep die 15 jaar jonger is. Heel mooi.
Nou had ik kunnen weten, achteraf gezien, dat je zoiets niet moet doen als je snipverkouden bent. Ik ben dagenlang niet meer bij machte om te trainen. Spieren kraken en gewrichten piepen. Pas na een halve week kan ik weer een heel voorzichtig rondje draven. Het gaat nog even duren voordat het sneuvelen van PR’s aanstaande is. Zover ken ik mezelf dan ook weer wel. Maar de beat goes on!
De literatuur over hartslagzones, tempozones en trainingsprofielen geeft me een overdaad aan modellen en getalletjes om mee aan de slag te gaan. Randvoorwaarde is overal een goede vastlegging van de twee basisparameters van de fysieke prestatie: snelheid (de uitkomst) en hartslag (de inspanning). Gps gebruik ik, maar de standaard borstbanden voor hartslagregistratie ervaar ik als een knellend keurslijf.
“Ken uzelve” orakelden de antieke Grieken. Altijd makkelijk om dat een ander voor te houden, maar begin er zelf eens mee. Wat kan ik weten, wat moet ik doen? Hopeloos. Ik blijf een mens van het type meten = weten, dus zonder verder mathematisch af te dwalen voel ik wat ik moet doen. Een fijnere hartslagmeter gebruiken. Een polsmodel dus.
De rage van fitbitbandjes en consorten heeft behalve een rariteitenkabinet van pakkenmannen met lila armbandjes wel opgeleverd dat nu voor relatief weinig geld een uitstekende hartslagmeting op de pols mogelijk is, met positiebepaling vanachter de wolken en synchronisatie naar een cloud. Mijn impulsaankoop van de Polar M200 levert me naast gps de actuele hartslag in een ruim display, dat ook tijdens het rennen nog goed leesbaar is. Opladen hoeft maar 1 keer per week en de locatie-updates zijn bovendien een stuk nauwkeuriger dan die van mijn standaard Runkeeper-app. Bluetooth verbinden blijkt daarentegen een gruwel, maar met de usb-kabel is het uploaden van de gegevens ook te doen.
Als belangrijke parameters moet ik nu mijn minimale en maximale hartslag bepalen. De laagste waarde vind ik door een trainingsregistratie te starten voordat ik ga slapen. Bij het ontwaken zie ik een MRI-achtige film van mijn nachtleven.
De hoogste waarde zoek ik op door een looptraining na warming-up te eindigen op de atletiekbaan en telkens sneller de 400 meter te nemen. Wanneer ik de laatste keer de finishlijn passeer, ben ik blauw van ademnood. Mooi. De hartslagwaarde blijkt te passen bij de leeftijdsgroep die 15 jaar jonger is. Heel mooi.
Nou had ik kunnen weten, achteraf gezien, dat je zoiets niet moet doen als je snipverkouden bent. Ik ben dagenlang niet meer bij machte om te trainen. Spieren kraken en gewrichten piepen. Pas na een halve week kan ik weer een heel voorzichtig rondje draven. Het gaat nog even duren voordat het sneuvelen van PR’s aanstaande is. Zover ken ik mezelf dan ook weer wel. Maar de beat goes on!
Abonneren op:
Posts (Atom)













